The Spirit of Talk Talk in de Stadsschouwburg
Tijs Synaeve, conciërge in de Koninklijke Stadsschouwburg, laat op regelmatige basis zijn licht schijnen op wat hij meemaakt in onze zalen.
Drie weken uit de roulatie vreet aan een mens. Langzaam maar zeker loste ik het ritme van de culturele hartslag van de stad. En dan, bij mijn terugkeer in de Stadsschouwburg, krijg ik dit over me heen.
The Spirit of Talk Talk is een eerbetoon aan Mark Hollis en aan Spirit of Eden, het album dat bij verschijning in 1988 door bijna niemand werd begrepen, maar inmiddels in elke canon van baanbrekende muziek staat. Veel tributes eindigen in eerbiedige, saaie middelmatigheid. Keurig nagespeeld, niemand gekwetst, niemand geraakt.
Dit was het absolute tegendeel.
David Poltrock, de man die bij De Mens de ruggengraat vormt en als producer aan de knoppen van de Vlaamse pop draait, had het slim aangepakt: geen reproductie, maar een interpretatie, vertrekkend vanuit het DNA van de songs. De cast die hij hiervoor had verzameld, was onze eigen, Vlaamse versie van The Traveling Wilburys. Een supergroep met muzikanten die hun ego’s bij de vestiaire hadden afgegeven om samen een groter geheel te worden.
Muzikale kernfusie
Lennert Coorevits toonde een diep begrip van de muziek met interpretaties die ronduit indrukwekkend waren. Stefanie Callebaut fungeerde als een ondergrondse nucleaire bom die het podium herleidde tot een testgrond voor muzikale kernfusie. Ruben Block legde zijn vertrouwde rock-pels af en tekende voor attitude en branie. Met de Mercedes S-klasse van de Belgische drummers, Isolde Lasoen en de legendarische Ewen Vernal, bas-autoriteit van Deacon Blue, als ruggengraat, en de dwarse, experimentele lagen van de geniale Geoffrey Burton en Joachim Badenhorst, stond er een welhaast magisch collectief op scène.
De zaal beloonde met pure extase, fluiten en juichen. Laten we het voortaan in de muzikologie de paradox van Hollis noemen: wanneer jazz, pop, ambient en rock zo lang in een zaal ophopen, komt de uiteindelijke uitbarsting aan als een mokerslag. Groot genoeg om Lennert Coorevits het publiek in te drijven. De as van 1988 gloeide opnieuw, tot de vonken in de nok van de Stadsschouwburg hingen.
Fukuyama, kom terug!
Is het toeval dat die muziek nu weer zo hard terugkomt? Spirit of Eden verscheen in een jaar dat nog geloofde in de toekomst. De Berlijnse Muur stond op instorten, het IJzeren Gordijn begon te scheuren, in China waagde de democratie even haar kans op het Tiananmenplein. Een jaar later schreef Francis Fukuyama zijn beroemde essay over het einde van de geschiedenis. De liberale democratie had gewonnen, de strijd was beslecht, de richting duidelijk.
Bijna veertig jaar later staat niet het einde van de geschiedenis op het spel, maar het einde van de democratie zelf. De autoritaire doctrine is geen randverschijnsel meer, maar mainstream geworden. In die context krijgt de muziek van Hollis, die zich altijd al verzette tegen de wetten van de markt, tegen de logica van het op winstbejag beluste bandwerk, tegen de tirannie van de herkenbaarheid, een onverwacht politieke dimensie.
Spirit of Eden was naar verluidt de plaat die Hollis altijd had willen maken, wars van commerciële wetmatigheden. Vanavond maakten deze acht klasbakken er een Gesamtkunstwerk van dat ook van hén was. Dat is het enige juiste eerbetoon aan een erfenis die nog springlevend is.
Blij dus dat ik terug was. De stilte is voorbij, en ze had niet mooier kunnen breken.