Gounouj

Léo Lérus

De grote kwartmaat van Léo Lérus

Tekst: Lieve Dierckx

GwoKa is de dans- en muziektaal waarmee Léo Lérus opgroeide op de eilanden van Guadeloupe. Het woord GwoKa is de creoolse verbastering van het Franse gros-quart, ofwel een kwart van een houten ton van 900 liter die diende om wijn of gezouten vlees overzee naar de kolonies te vervoeren.

Het ontstaan van GwoKa speelt zich af tegen de achtergrond van Guadeloupe als een Franse kolonie in de Caraïben - voor het vanaf 1946 als Frans Overzees Departement integraal deel ging uitmaken van de Europese Unie. De Fransen brachten er vanaf de 17de eeuw tot slaaf gemaakte Afrikanen naartoe voor het zware werk op hun koffie-, cacao- en suikerplantages.

Gros-quart en GwoKa

De gedwongen arbeiders gingen mettertijd de lege gros-quartvaten gebruiken als ‘ka’-trommels, ritmesecties begeleid door zang en dansimprovisaties in traditionele cirkelopstelling.  GwoKa werd een middel om hun verschillende stam- en taalachtergronden om te smeden tot onderlinge verbondenheid in het verzet tegen hun lot. Doorheen de tijd ontstonden in GwoKa zeven specifieke ritmes: ritmes die bij hun werk hoorden, bij hun leed, hun verzet en strijdlust, hun liefde, sensualiteit en feesten.

Hoewel het overgrote deel van de bevolking nu Creools is - van gemengd Afrikaans-Europese oorsprong – blijft het sociale en politieke aspect van GwoKa sterk ingebed in het dagelijkse leven op Guadeloupe. De drums, zang en dans zijn alomtegenwoordig op publieke plaatsen, markten, stranden en op familiefeesten. Vooral de vrijdagse Léwoz-bijeenkomsten zijn populair: op openbare pleinen vormt het publiek een kring waaruit om de beurt iemand naar voor komt om al dansend te improviseren op de verzetsritmes (léwoz) van de trommels en de zangers.  In 2014 werd GwoKa door UNESCO erkend als immaterieel werelderfgoed.

Bigidi

In ‘Gounouj’ verweeft Léo Lérus GwoKa-invloeden met inzichten over dans en ritme die hij vanaf zijn jeugd op het eiland en tijdens zijn internationale danscarrière meekreeg.

Als kind volgde hij in Guadeloupe dansles bij een bijzondere dame, Léna Blou. Zij is naast danseres en choreografe ook doctor in de antropologie en een internationaal erkende experte als het om GwoKa gaat.  Ze bedacht het begrip ‘Bigidi’ voor wat ze beschouwt als de grondslag van de Caribische muziek- en danscultuur. Bigidi verwijst naar onevenwicht, uitwijken, schijnbewegingen, onvoorspelbaarheid van gebaren, fysieke instabiliteit, naar wisselende en onverwachte lichaamstoestanden.  Léna Blou ziet er aspecten in van het Caribische denken, in lichamen die sporen dragen van chaos, breuk en aanpassing. Het gaat om bewegingen die voor haar eigen zijn aan de ervaringen van mensen in slavernij.  Uit haar onderzoek distilleerde ze een nieuwe danstechniek, Techni’ka, waarin ze bewegingen uit het traditionele GwoKa isoleert en doordrenkt met hedendaagse danstechnieken die ze in Parijs leerde. Tegelijk laat ze de eigenheid van elk danslichaam spreken.

Léon Lérus gaat in feite een stap verder: hij wil graag GwoKa als danstechniek gevalideerd zien in het hoofdzakelijk op westerse technieken geënte hedendaagse dansveld waarin hij zijn sporen verdiende.

Tussen twee werelden

Het was Léna Blou die hem aanspoorde om in Parijs hedendaagse dans te studeren.  Hij vond er aan het Nationaal Conservatorium voor Muziek en Dans een andere lerares, Christine Girard, die hem aanmoedigde om de eigenheid van zijn traditionele dansachtergrond niet weg te stoppen achter de hedendaagse danstaal die hij in zijn nieuwe omgeving meekreeg.

Zijn Parijse opleiding leverde hem een internationale danscarrière op bij gerenommeerde Europese gezelschappen als bijvoorbeeld Random Dance Company van Wayne McGregor. Maar het was vooral als danser in Tel Aviv, bij Batsheeva Dance Company en bij L-E-V van Sharon Eyal, dat hij voor zichzelf helder moest krijgen waar hijzelf voor stond - omdat een omgeving waar identiteit zo belangrijk is daar gewoon om vraagt, legt hij uit in een gesprek.  Tegelijk hielp het ‘gaga’, de specifieke improvisatietechniek met focus op innerlijke gewaarwording van bij Batsheeva en L-E-V, om de Afrikaans/Caribische eigenheid uit zichzelf en zijn dans te puren. (Lérus werkt als choreografisch assistent nog steeds regelmatig samen met Sharon Eyal. Zij heeft intussen de GwoKa-technieken omarmd.)

Zimarèl

Bij Théâtre Chaillot in Parijs kreeg Lérus in 2017 een onderzoeksresidentie aangeboden waar hij zijn eigen danstaal verder kon uitdiepen. De choreograaf keerde vervolgens terug naar Guadeloupe om zijn dansgezelschap Zimarèl op te richten. In hun eerste choreografie, ‘Entropie’ uit 2019 combineert hij met dansers van verschillende achtergronden hedendaagse dans met de ritmes van Léwoz en de bewegingstaal van GwoKa.

Zijn tweede werk, ‘Gounouj in Situ’, toonde hij oorspronkelijk als een locatievoorstelling met drie dansers in Gros Morne/Grande-Anse, een natuurgebied op Guadeloupe waar fauna, flora en atmosferische omstandigheden uitzonderlijk goed op elkaar afgestemd zijn.  Helaas staat ook daar het evenwicht onder druk door menselijke ingrepen. In ‘Gounouj’ - het Creoolse woord voor grenouille/kikker - drukt Léo Lérus met drie dansers fysiek de emotie uit die dat oproept, van ontmoediging en nostalgie tot hoop en verlangen naar een betere verbinding met de natuur.

Ook in de podiumversie van ‘Gounouj’ (2024) – waar Lérus met een klank- en lichtlandschap de oorspronkelijke locatie verbeeldt – roepen nu vier dansers die tegenstrijdige gevoelens op via hun bewegingen. En: hoe houden ze in dat proces als mens hun interne biologische processen in evenwicht? De choreograaf haalt er het Creoolse begrip Bousyè bij dat verwijst naar de kwetsbaarheid van schelpdieren tijdens het verschalingsproces, wanneer in de groei hun te krappe schaal verweekt om plaats te maken voor een ruimer omhulsel.

Groove als brug

Tijdens een lange residentie in 2026 bij Villa Albertine, de Franse cultuurambassade in New York, bouwt Léo Lérus verder aan zijn visie op solidaire dans en kunst. Hij werkt er rond groove-ritmes als culturele sterkmakers om bruggen te bouwen met de diaspora van Afrikaanse afkomst in New York en elders. Zijn doel is om een netwerk uit te bouwen van dansers en kunstenaars die tegelijk hun roots eren én hun hedendaagse stem willen laten horen – als een constructieve emancipatiebeweging voor te weinig gehoorde invloeden in de westerse kunsten - zonder in exotisme te vervallen.


Bio

Léo Lérus volgde in zijn geboorteland Guadeloupe les in traditionele GwoKa-dans bij Léna Blou.  Op zijn veertiende vertrekt hij naar Parijs voor een opleiding hedendaagse dans aan het Nationale Conservatorium.  Aansluitend danst hij voor gezelschappen in Europa en in Israël.  Vanaf 2010 gaat Lérus met eigen werk op zoek naar zijn persoonlijke stem tussen hedendaagse dans en GwoKa.  Hij keert terug naar Guadeloupe om er zijn dansgezelschap Zimarèl op te richten en breekt door met ‘Entropie’ in 2019. In 2022 volgt ‘Gounouj In Situ’ op Guadeloupe en een podiumversie daarvan in 2024. Voor volgend seizoen staat  ‘Sibylline’ gepland, een nieuwe creatie voor negen dansers met dans, muziek en tekst rond het geheugen en erfgoed van de Antilliaanse cultuur.


Citaten

Over zijn danscarrière: ‘Mijn moeder vindt dat ik haar niet veel keuze liet. Vanaf het moment dat de radio opstond, was ik aan het dansen’.

‘In Guadeloupe danst iedereen, dat hoort bij de cultuur’.

‘GwoKa is de basis van mijn dans, mijn muzikaliteit en mijn groove’.

‘Je verankeren in een traditie is heel voedend, of dat nu een cultuur, een familie of kunst is. Verankering geeft zin om te creëeren’.

‘Mijn opzet is om te connecteren met andere kunstenaars van Afrikaanse afkomst die het idee van erfgoed en identiteit bevragen in de hedendaagse kunsten’. 

Zet mij op de wachtlijst

Wenslijstje

Toegevoegd:

Naar wenslijstje

Inschrijven voor onze nieuwsbrief