Delirious Night
Mette Ingvartsen
Bewegingsextasen
Delirious Night is de jongste voorstelling van de Deense choreograaf en danser Mette Ingvartsen. Voor deze voorstelling vroeg ze negen performers om hun lichaam over te geven aan de lusten en regelloosheid van de nacht.
Mette Ingvartsen begon op haar negende al met hiphoplessen in Denemarken. Een echte danser moet ook ballet kunnen, leerde ze toen ze uit nieuwsgierigheid een documentaire over dans bekeek. Met wat tegenzin, maar toch koppige vastberadenheid volgde ze dan maar klassieke lessen. Wanneer ze ook in aanraking komt met choreografieën van Merce Cunningham, beslist ze om hedendaagse dans te studeren. Eerst een jaar in Amsterdam, dan aan het Brusselse P.A.R.T.S., de dansschool van Anne Teresa De Keersmaeker. Nog voor ze afstudeert staat ze al met Manual Focus (2003) op de planken van het Kaaitheater in Brussel, en richt ze haar eigen dansgezelschap op.
Ingvartsen zoekt voor haar creaties telkens inspiratie in andere domeinen dan de klassieke of moderne dans, van beeldende kunst en technologie tot taal of theorie.
Middeleeuwse dansmanieën
Het recentste werk van Mette Ingvartsen concentreert zich op publieke bewegingsextases. Delirious Night is een rechtstreeks vervolg op The Dancing Public (2021). Beiden vertellen over dansmanieën die ontstonden tijdens de middeleeuwen en zich doorzetten tot op vandaag, in verschillende vormen. In haar vorig stuk danste ze alleen, in Delirious Night zet ze een hele troep dansers en een drummer in. Het publiek doet deze keer niet mee, maar kijkt vanop een afstand. Wat ze wél behoudt, zijn verschillende podia, zoals ook al de gewoonte was tijdens de middeleeuwen.
Voor Skatepark (2023) bracht Ingvartsen uren door in het Ursulinen-skatepark in het centrum van Brussel. Het resultaat was een stilistische en sociale analyse met telkens lokale skaters en enkele dansers. Voor Delirious Night trekt ze de parallel met het nachtleven. Die undergroundscene is de plek bij uitstek waar andere regels gelden dan in het dagelijkse leven: persoonlijke emoties die anders onderdrukt worden, worden hier gevierd, gemeenschappelijke emoties krijgen vorm en, cruciaal, alleen uitputting kondigt het einduur aan.
Post-humane lichamen
Naast haar fascinatie voor collectieve beweging, loopt een ander thema als rode draad door Ingvartsens werk: het post-humane. Sinds de renaissance staat de mens centraal in ons denken; met het post-humane onderzoekt de choreograaf wat er gebeurt als we dezelfde aandacht hebben voor het niet-menselijke. Wat als de regels wegvallen die ons tot mens maken? In The Artificial Nature Series (van 2009 tot 2012) werkte ze de relatie uit tussen het menselijke en het niet-menselijke. Een bos verlicht door ledlampen fictionaliseert dan de ruimte, zoals in The Light Forest. In de apotheose van de serie, The Artificial Nature Project, dansen een uur lang zilver en gouden reddingsdekens en metalige confetti, omhooggeblazen door bladblazers. Materialen krijgen zo de hoofdrol, dansers ondersteunen alleen. En verrassend genoeg blijf je toch de voorstelling als dans ervaren. Er verschijnen prachtige beelden en een intrigerend denken over de rol van het menselijk lichaam.
Post-humanisme doet ook zijn intrede in Delirious Night. Maar hier gaat het om lichamen die hun menselijkheid verliezen en dierlijk worden, of die zich gedragen als objecten op een podium. Dat dansmanieën vaak gelinkt worden aan massahysterie of andere psychologische verschijnselen, stelt de politieke vraag: hoe menselijk is een lichaam dat geen menselijke controle meer heeft over zichzelf?
Het lichaam als politiek
Daar kristalliseert zich de kern in het hele oeuvre van Ingvartsen: wat precies maakt het fysieke lichaam politiek?
Naakte lichamen op een podium trekken vaak een spanning op tussen het voyeuristische, seksuele en een pure esthetiek van het lichaam - als een object dat buiten de wil van de performer zelf bestaat. To Come (2005) en het vervolg ervan, To Come (Extended) (2023), stelt deze vraag erg scherp. In het eerste deel dragen dansers felblauwe, nauw aansluitende pakjes en beelden een reeks seksstandjes uit. Als toeschouwer heb je niet het gevoel dat je naar tastbare lichamen kijkt, maar naar placeholders voor je fantasie en verbeelding. Wanneer de dansers in een later deel naakt een Lindyhop inzetten, worden ze net inwisselbaar gemaakt door pasjes te herhalen in een overdreven gespeelde vrolijkheid. Hun lichamen blijven doorheen de voorstelling onpersoonlijk. Anoniem door hun pakjes in een eerste deel, anoniem door een machinaal spel in het laatste.
Ook in Delirious Night speelt anonimiteit een cruciale rol. Niet zozeer door hun gemeenschappelijke naaktheid (al zie je zeker de occasionele borst), wel door het gebruik van maskers. Voor Ingvartsen verwijzen die maskers enerzijds naar een groep mensen als een massa zonder individuele identiteiten. Maar ze doen nog iets anders: ze verraden een wens om net niet individualiseerbaar te zijn, om anoniem te blijven in tijden van alomtegenwoordige gezichtsherkenning. En zo verweven zich de drie fascinaties van Mette Ingvartsen in Delirious Night: collectieve beweging, het lichaam als politiek instrument, en een dehumanisering door maskers.
Elie Agniel